Eerste ritje door de heuvels van Limburg

IMG_6434Een aantal weken geleden ben ik voor het eerst gaan fietsen in Limburg. Niet op de race maar op de mountainbike, samen met m´n mannetje.

Het was een spontaan idee, fietsen op de auto en een rondje rijden. Kijken hoe erg die heuvels nou echt zouden worden op 18 april.

Voor getrainde fietsers is Limburg natuurlijk appeltje eitje, maar ze zeggen dat 10 kilo overgewicht 15% meer kracht kost als je omhoog gaat.

Ik mag mijn borst nat maken dus.

Na 7 kilometer stond ik hyperventilerend stil, halverwege een licht omhoog gaande weg. Mezelf vervloekend tussen het happen naar adem door. M´n mannetje was gewoon lekker omhoog gereden en stond bovenaan te wachten.

Tja, die hoeft niet veel overgewicht mee te zeulen.

Boven aangekomen, met rood hoofd en compleet in het zweet, hijgend alsof er niet genoeg zuurstof in de lucht zat. “Nou, die Amstel Gold kun je wel vergeten. Dat gaat je nooit lukken.” hoor ik hem zeggen.

Ik kan nog net een paar luide vloeken inhouden, maar mijn humeur is compleet naar de filistijnen. Na een paar weken ziek geweest te zijn lijkt het of mijn conditie naar een nulpunt was gezakt en die verstopte neus werkt zeker niet in mijn voordeel.

“Als ik 8 uur kan spinnen, kan ik dit ook!” bijt ik hem toe. Die AGR zal ik uit gaan rijden, al moet ik kruipend over de finishlijn.

Stoïcijns rij ik door, hem verder proberen te negeren en net na de bocht zie ik dat de weg wéér omhoog gaat. Vol goede moed ga ik er voor.

Ik probeer hem bij te houden, maar trap me al in de eerste meters volledig kapot.

Mijn longen staan op klappen, en in mijn hoofd begin ik mijn mantra af te spelen. “doortrappen je bent er bijna, gewoon doortrappen”… Een stuk verder klap ik dubbel over mijn stuur. Krampachtig probeer ik mijn hartslag onder controle te krijgen.

Het lijkt nu wel of mijn hart buiten mijn lijf doorklopt, zo hard voel ik mijn lijf bonken. Als het eindelijk gezakt is, kijk ik naar de weg omhoog. Ik ga weer terug op mijn fiets zitten om een paar kilometer later wéér af te stappen.

We hebben nog geen derde van de geplande rit afgelegd, als mijn man voorstelt om terug te keren. “Je bent nu al kapot, die 40 kilometer vandaag is gewoon te hoog gegrepen voor je.”

Ik geloof mijn oren niet en word nu echt onwijs kwaad.

Dit heb ik nu niet nodig. Ik hoef niet te horen dat het zwaar is, of dat ik het niet aan kan. Dit kan ik wél, en ik snauw hem precies dat toe. Dat ik nu zéker niet hoef te horen dat het teveel is, te zwaar. Dat ik het niet kan. Of dat we beter terug gaan.

“Als jij zo nodig terug wilt, dan zie ik je wel bij de auto. Ík ga door!”

Koppig stap ik weer op om verder te rijden, en eindelijk bovenaan gekomen voel ik mezelf de Queen of the Mountain. Thuis aangekomen zie ik natuurlijk op Strava dat de QOM nog ver buiten mijn bereik ligt. En dat de “berg” in werkelijkheid maar een paar kilometer glooiend omhoog ging. Maar op dat moment voelt het als een echte overwinning.

De rest van de rit gaat eigenlijk redelijk goed.

Gaanderweg begin ik namelijk mijn eigen ritme te vinden. Zonder afleidingen. Zonder mijn man proberen bij te houden. Gewoon doen wat voor mezelf goed voelt.

Ik durf echter nog niet te gaan staan op mijn pedalen. Iets met “ik te zwaar, dadelijk breken ze af!”, “ik kom niet los als ik stilval”, “dadelijk trap ik de ketting kapot” en nog meer van dat soort ideeën. Dus zittend ploeter ik omhoog. Dat overgewicht…. pffff…. het moet er af. Ik wíl dit gewoon kunnen! Mijn bovenbenen branden, ik voel het trekken in mijn rug en buik.

Rustig door trappen. Concentreren op mijn ademhaling. De focus op mijn eigen benen. Voelen, aftasten welk verzet. Iets verder door. Tot die boom. Doorgaan. Dadelijk gaat het vast weer naar beneden. Nog een boom.

Ik begin er zelfs lol in te krijgen, tót we bijna terug bij de auto de Kruisberg op moeten. Het begint erop te lijken dat ik iets met kruizen heb… of beter gezegd, tegen. De weg voor me gaat steeds steiler omhoog en al snel moet ik weer afstappen.

Deze gaat me vandaag niet lukken en met de fiets in de hand loop ik omhoog. Gelukkig ben ik deze keer trouwens niet de enige, want ook m´n mannetje moet een stukje verder afstappen.

Terug bij de auto heb ik een smile op mijn gezicht. We hebben het gehaald. Onderweg terug, app ik meteen mijn fietsmaatje… “Help! We moeten keihard aan de slag!”

Toen ik me opgaf, wist ik namelijk dat dit een uitdaging ging worden. Ik had me express ingeschreven om er voor te zorgen dat ik een sportdoel had waar ik voor moest trainen. Waarbij het handig zou zijn dat ik minder zou wegen. En nu baal ik er van dat ik nog niet verder ben.

Maar aan de slag gaan we. Samen trainen en samen die finish over!